03/06/2026 | News release | Distributed by Public on 03/06/2026 04:53
Sinds het begin van de 20e eeuw draait de moderne geschiedenis van Iran in grote mate rond één zaak: olie. En dan vooral rond de vraag wie er controle over heeft. Drie jaartallen zijn daarbij cruciaal om die geschiedenis te begrijpen: 1901, 1953 en 1979.
vrijdag 6 maart 2026
Een raffinaderij van de Anglo-Iranian Oil Company in de jaren 1950. (Wikimedia Commons)
Peter Mertens, algemeen secretaris PVDA
Marc Botenga, PVDA-volksvertegenwoordiger in het Europees Parlement
Aan het einde van de 19e eeuw weten de Britten één ding zeker: olie is de toekomst. Hun probleem? De Nederlanders hebben net Shell in handen gekregen, Standard Oil is van de Verenigde Staten van Amerika, en de Britten dreigen achter het net te vissen.
Dan klopt de Britse zakenman William D'Arcy aan bij de Iraanse regering, geleid door de zwakke Qajar-monarchie. Hij wil naar olie zoeken en sluit een deal die je haast niet kunt geloven: als er olie wordt gevonden, krijgt de Iraanse sjah (de koning) 16 procent van de opbrengst. De Britten houden 84 procent over.
Voor elke honderd dollar die uit de Iraanse bodem komt, gaan er zestien naar Iran en vierentachtig naar Londen. Je zou bijna willen dat D'Arcy al je contracten onderhandelt. De man had een talent.
Zo ontstaat de Anglo-Perzische Oliemaatschappij. De raffinaderij van Abadan zal uitgroeien tot een van de grootste ter wereld. De Britse marine vaart op Iraanse olie, en Iran krijgt netjes zijn beperkte royalty's, maar geen echte zeggenschap over prijzen, productie of boekhouding. De Britten verwerven een controlerend belang, die de Britse controle over Iraanse olie verankert. Een eeuw imperialistische uitbuiting is officieel begonnen.
Van bij het begin komt daar verzet tegen. In 1905 breken protesten uit, met wijdverspreide stakingen en sluitingen van de handel. Joseph Naus, een Belg, is mede de aanleiding voor die protesten. Als buitenlandse douanedirecteur int Naus bureaucratisch en autoritair invoerrechten om Iraniërs te verplichten zware leningen aan het buitenland terug te betalen.
Wat later de Grondwettelijke Revolutie zal worden, heeft niet alleen tot doel de absolute macht van de dynastie te beperken, maar ook de invloed van buitenlandse imperialistische machten te verminderen - onder meer in de olie-industrie.
Met hulp van de Russen doen de Britten alles om de democratische revolutie de kop in te drukken. Het nieuwe parlement wordt zelfs gebombardeerd. De zwakte van de onderworpen Iraanse dynastie leidt uiteindelijk tot een staatsgreep.
Reza Khan, officier in de Perzische Kozakkenbrigade, wordt eerst minister van Oorlog, daarna premier en in 1926 tot sjah gekroond. Zo begint de Pahlavi-dynastie niet door geboorterecht, maar door ambitie, timing en een goed geplaatste staatsgreep.
Begin jaren dertig kelderen de olieprijzen door de Grote Depressie. De royalty's voor Iran zakken mee de dieperik in, maar de Britse staat int ondertussen gewoon belasting op de winsten van het bedrijf. Voor Teheran is de boodschap pijnlijk duidelijk: als het slecht gaat, draagt Iran het risico. Als het goed gaat, strijkt Londen de winst op.
Reza Shah Pahlavi grijpt zijn kans en dwingt een heronderhandeling af. Op papier levert dat Iran wat op: een minimumbetaling, herberekende royalty's, en de belofte dat er meer Iraniërs in dienst worden genomen. Maar in essentie verandert er weinig. De concessieduur wordt zelfs verlengd. Iran heeft onderhandeld, maar niet gewonnen.
In 1935 vraagt Reza Shah Pahlavi om het land voortaan "Iran" te noemen op het internationaal toneel in plaats van "Perzië". De Anglo-Persian Oil Company wordt de Anglo-Iranian Oil Company. Een symbolische stap want het nationalistische gevoel krijgt een naam, maar aan de feitelijke machtsverhoudingen in de oliesector verandert niks.
De jaren dertig zijn een periode van groeiende frustratie. Iran probeert betere voorwaarden af te dwingen, maar zit structureel gevangen in oneerlijke handelsverhoudingen. Die woede stapelt zich op.
In 1941 wordt Iran bezet - door de Britten én de Sovjets. De sjah wordt beschuldigd van sympathie voor Hitler. De invasie moet een aanvoerroute naar de Sovjet-Unie veiligstellen en de olie onder controle houden. Reza Shah wordt afgezet, zijn zoon Mohammad Reza Shah wordt door buitenlandse machten op de troon gezet. Iran verliest opnieuw een stuk soevereiniteit.
De les van de oorlogsjaren is voor vele Iraniërs glashelder: de raffinaderij van Abadan en de olietankers zijn cruciaal voor de Britse oorlogsvoering. De hele wereld ziet hoe strategisch die olie is. Alleen, Iran heeft er zelf weinig over te zeggen.
Tegelijk groeit in de olie-installaties een stevige arbeidersbeweging. Lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden, en de openlijke arrogantie van het Britse oliebedrijf tegenover zijn Iraanse werknemers - het zorgt voor stakingen en onrust. Linkse en nationalistische bewegingen, waaronder de marxistische Tudeh-partij, geven die woede een politieke richting.
Het bedrijf probeert de boel te sussen met kleine toegevingen: iets hogere minimumroyalty's hier, een belofte over meer Iraans personeel daar. Maar zonder echte inspraak, zonder inzage in de boeken, zonder gelijkwaardig partnerschap. Voor veel Iraanse politici en intellectuelen werkt het averechts. Het bevestigt alleen maar dat de Britten cosmetische aanpassingen willen - geen fundamentele verandering.
Ondanks de repressie van de sjah, groeit de Tudeh snel. Tegen 1946 is het de grootste politieke organisatie met 100.000 leden. De met de partij geaffilieerde vakbond CCFTU heeft meer dan 350.000 leden. Groot-Brittannië vreest zelfs dat de Tudeh de Iraanse regering zou kunnen overnemen.
Aan het einde van de jaren veertig komen drie dingen samen: de sociale onvrede van de olie-arbeiders, een groeiende sociale mobilisatie en een nationaal gevoel dat volledige controle over de eigen grondstoffen eist, en de vernedering van bezetting en buitenlandse inmenging tijdens de oorlog. Wanneer premier Mossadegh in 1951 de nationalisatie op de agenda zet, doet hij dat niet vanuit het niets. Hij heeft twintig jaar aan opgebouwde grieven, strijd en mobilisatie achter zich.
In 1951 wordt Mohammad Mossadegh premier van Iran. Onder druk van een groeiende mobilisatie, wil hij Iran moderniseren, democratiseren, en daarvoor is geld nodig. Dat geld zit in de olie. Maar zolang de meeste winst naar een Brits bedrijf gaat, ben je daar als land niets mee.
Mossadegh grijpt in. Hij sluit de Britse ambassade, zet de Britse vertegenwoordigers het land uit en nationaliseert de Anglo-Iraanse Oliemaatschappij. Voortaan heet het de Nationale Iraanse Oliemaatschappij, en de boodschap is simpel: "de olie is van ons", wij weten hoe we die moeten winnen, en we hebben jullie daar niet bij nodig.
Groot-Brittannië is woedend en organiseert een internationale boycot. Hoewel Mossadegh met de Amerikanen probeert te onderhandelen, kijken de VS bezorgd toe. De grote mobilisaties en algemene stakingen die de nationalisatiebeweging steunen baren hen zorgen. Midden in de Koude Oorlog willen ze niet dat een strategisch oliegebied uit westerse handen glipt.
Nog vóór Eisenhower officieel president is, kloppen de Britten bij hem aan. Ze klagen dat het "oneerlijk" is dat Iran nu profiteert van zijn eigen olie. Eisenhower knikt begripvol: maak je geen zorgen, dit lossen we samen op.
En dat doen ze. In 1953 geeft Eisenhower de CIA groen licht. Kermit Roosevelt - kleinzoon van president Theodore Roosevelt - organiseert samen met de Britten Operatie Ajax. Via propaganda, omkoping en het opzetten van straatgeweld wordt Mossadegh afgezet. De sjah keert terug aan de macht. De repressie tegen progressieve krachten is verschrikkelijk. De olie gaat terug naar een westers consortium. En de Iraniërs verliezen opnieuw de controle over eigen bodem.
Dit moment brandt zich in het Iraanse collectieve geheugen. Een democratisch gekozen premier, die alleen maar zijn land wilde moderniseren met zijn eigen rijkdom werd omvergeworpen omdat dat plan niet spoorde met dat van Londen en Washington.
Met de sjah terug aan de macht heeft Amerika een betrouwbare partner in het Midden-Oosten. Amerikaanse militaire adviseurs stromen het land in, democratische ambities verdwijnen naar de achtergrond, en het leger krijgt zo'n 40 procent van het overheidsbudget - grotendeels besteed aan Amerikaanse wapens.
Maar die afhankelijkheid van olie-inkomsten en westerse steun heeft een prijs. Corruptie, inflatie, schulden en toenemende armoede. Miljoenen boeren worden van hun grond gedreven door landhervormingen en trekken naar steden waar ze nauwelijks een bestaan kunnen opbouwen. De sjah omringt zichzelf ondertussen met luxe en prestige, terwijl een steeds groter deel van de bevolking verarmt. Een geheime politie, de SAVAK, wordt berucht voor de brutale repressie van volksstrijd.
Langzaam groeit een brede oppositiebeweging. Nationalisten, marxisten, religieuzen, studenten - ze verschillen van mening over vrijwel alles, maar zijn het over één punt eens: de sjah moet weg.
In 1979 barst het los. Massale stakingen, vooral in de olie-industrie, leggen het land plat. De monarchie valt. Geestelijke leider Ayatollah Khomeini keert terug uit ballingschap en neemt de macht over. Zijn kracht ligt onder meer in de organisatie van de geestelijkheid en de bazaarhandelaars. Terwijl de sjah de linkse en progressieve organisaties decennia lang hard onderdrukte, kon Khomeini via religieuze instellingen en bazaars een beroep doen op een uitgebreid netwerk in het land.
Al snel blijkt dat de revolutie niet voor iedereen is. Linkse partijen, vakbonden, oppositiebewegingen - ze worden een voor een de kop ingedrukt. Het leger wordt gezuiverd. Iran wordt in hoog tempo een islamitische republiek, aangestuurd door de geestelijkheid.
Voor de VS is dit desalniettemin een ramp. Ze verliezen niet alleen hun economische belangen en toegang tot de olie - ze verliezen ook hun betrouwbaarste bondgenoot in de regio. De sjah had voor hen ongeveer dezelfde rol gespeeld als Israël vandaag. En nu is hij weg.
De reactie laat niet lang op zich wachten. Saddam Hoessein wordt aangemoedigd om Iran aan te vallen - het land is toch verzwakt door de revolutie en de legerzuiveringen, zo is de redenering. Met westerse wapens, Amerikaanse logistiek en zelfs chemische middelen geleverd door onder meer Duitsland valt Irak in 1980 Iran binnen.
De oorlog duurt acht jaar en eist naar schatting een miljoen doden. Steden en olie-installaties zijn verwoest; twee landen volledig uitgeput. En er is geen winnaar. Daarna, in 1991, vernietigen de VS grote delen van Irak tijdens de Tweede Golfoorlog. Iran kijkt verbijsterd toe: de voormalige bondgenoot van het westen is nu zelf het volgende slachtoffer.
Iran is gekend voor de binnenlandse repressie. Op buitenlands vlak zoekt het land zijn eigen plek in een veranderende wereld. Het Iraanse volk zoekt een manier om zelf zijn lot te mogen en kunnen bepalen. Het land sluit zich aan bij BRICS en de Shanghai Cooperation Organisation, werkt mee aan de Chinese 'Nieuwe Zijderoute' en probeert zijn olie, zijn ligging en zijn markten in te zetten buiten de westerse invloedssfeer om.
Het Iraanse volk heeft decennia van oorlog, sancties en repressie doorstaan - en blijft overeind. Het bewustzijn dat buitenlandse inmenging zelden goed uitpakt, zit diep. Verandering, zo leeft het gevoel sterk in Iran, moet van binnenuit komen. Niet opgelegd door anderen.