03/20/2026 | Press release | Distributed by Public on 03/20/2026 04:11
In april en mei 1951 legden 4 schepen aan in Amsterdam, gevuld met Molukse militairen en hun gezinnen. Ze hadden jarenlang in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger gediend, en dachten tijdelijk in Nederland te komen wonen. Maar wat hen wachtte, was anders. Ontslag uit het leger, jaren in geïsoleerde woonoorden en een onzekere toekomst in een vreemd land.
De Molukkers die in 1951 naar Nederland kwamen, waren vooral voormalige soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Dit koloniale leger van Nederland vocht tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tegen de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Het eerste schip kwam op 21 maart 1951 aan in Rotterdam.
Nederlandse officieren beschouwden de Molukse soldaten als loyaal en betrouwbaar. Veel Molukkers waren protestants-christelijk, door de Nederlandse koloniale aanwezigheid op de eilanden. Daardoor voelden zij zich vaak sterker verbonden met Nederland dan met de nationalistische beweging die vooral op Java was ontstaan.
Na het uitroepen van de republiek Indonesië (1945) en het einde van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1949) kwam er een einde aan het KNIL. Militairen konden overstappen naar het Indonesische leger, maar veel Molukse soldaten wilden dat niet. Ze werden daarom opgenomen in het Nederlandse leger en op Java gestationeerd.
Toen de Zuid-Molukken zich afscheidden van Indonesië, kwamen de Molukkers vast te zitten. Ze konden niet terug naar de Molukken omdat die in oorlog waren met Indonesië, maar konden om diezelfde reden niet in Indonesië blijven. Nederland besloot de 3.578 Molukse militairen en hun gezinnen tijdelijk op te halen. Sommigen kozen hier vrijwillig voor. Anderen werden gedwongen.
De Molukse soldaten waren nauwelijks aangekomen in Nederland, toen ze hun eerste tegenslag te verwerken kregen. Het Nederlandse leger ontsloeg hen namelijk. Ze verloren hun militaire status en hun inkomen. Veel militairen konden de ontslagbrief nauwelijks lezen. Hun Nederlands was beperkt, en ze begrepen niet volledig wat hen was overkomen.
De militairen voelden zich verraden door de Nederlandse staat en stapten naar de rechter. De rechter erkende dat het collectieve ontslag juridisch problematisch was. Toch leidde dat niet tot rehabilitatie van hun militaire status. De Nederlandse staat brak een belofte zonder de gevolgen te herstellen.
De Molukkers werden verspreid door heel Nederland in onder meer voormalige kampen uit de Tweede Wereldoorlog gehuisvest. Deze zogenoemde woonoorden waren klein en primitief, met gedeelde douches en een centrale keuken. Werk buiten het kamp werd niet gestimuleerd, omdat zowel de overheid als de Molukkers ervan uitgingen dat de militairen uiteindelijk zouden terugkeren. Daardoor groeiden gezinnen jarenlang op in een omgeving waarin het leven stil leek te staan.
Molukse kinderen voor een woning in woonoord Lunetten. Dit woonoord werd gebouwd op het Duitse concentratiekamp Kamp Vught. Ook de Penitentiaire Inrichting Vught werd overigens gebouwd op Kamp VughtIn Amsterdam verliep dat anders. Waar het grootste gedeelte van de Molukkers die naar Nederland kwamen uit voormalig KNIL-soldaten bestond, waren er ook zo'n 80 tot 100 mannen (en hun gezinnen) die tot de Koninklijke Marine behoorden. Deze marinemannen werden niet ontslagen, en kregen 'gewone' huurwoningen toegewezen. In marinestad Den Helder, het dorp Loosdrecht waar het opleidingskamp van de marine stond, én in Amsterdam. Daar was namelijk het Marineterrein.
De mariniers en hun gezinnen woonden hier in 'gewone' wijken, onder meer in Slotermeer en rond Kattenburg. Hun kinderen groeiden op tussen Amsterdamse buren, gingen naar Nederlandse scholen en bewogen zich vanzelfsprekender tussen 2 werelden. Waar in de woonoorden het leven in het teken stond van wachten, ontstond in Amsterdam een dagelijks bestaan waarin aanpassing en contact onvermijdelijk waren.
In de jaren 60 groeide de tweede generatie Molukkers op met het besef dat de beloofde terugkeer nooit zou plaatsvinden en dat Nederland hun ouders had laten vallen. Er ontstond een groeiende politieke mobilisatie. Jongeren organiseerden bijeenkomsten, demonstraties en discussies over de toekomst van de Molukken en de rol van Nederland. De frustratie groeide toen duidelijk werd dat Nederland de onafhankelijkheid van de Republiek der Zuid-Molukken niet steunde.
Zuid-Molukkers demonstreren in Amsterdam samen met actiegroep De Vrijheidsschool tegen het Soeharto-regime in IndonesiëVoor veel jongeren voelde het alsof hun gemeenschap tussen 2 staten was komen te staan. Een Indonesië waar zij niet veilig waren, en een Nederland dat hun politieke zaak niet wilde erkennen. Dat kwam in Amsterdam tot ontploffing op 4 december 1975, toen 7 gewapende Molukse jongeren het Indonesische consulaat tussen de Koninginneweg en de Valeriusstraat bezetten. Dit deden ze om de Molukkers die 2 dagen eerder een trein bij Wijster hadden gekaapt, te steunen.
Ze gijzelden zo'n 50 kinderen en volwassenen. Vier medewerkers van het consulaat ontsnapten. Een daarvan werd door de gijzelaars in zijn buik geschoten. Een ander probeerde op een matras te springen dat door buurtbewoners onder een raam was neergelegd, maar kwam ernaast neer. Hij overleed enkele dagen later aan zijn verwondingen. De gijzeling kwam uiteindelijk op 19 december ten einde. De gijzelaars kregen gevangenisstraffen tot 7 jaar.
De jongeren die het consulaat bezetten, waren opgegroeid in Nederland. Maar ze kozen ervoor de wapens op te nemen voor de Zuid-Molukse republiek. De bezetting van het consulaat was een daad van mensen die in Nederland waren geboren, in een situatie die door Nederland was gecreëerd.
In 1977 volgde nog een aanslag. Een trein werd gekaapt bij De Punt. Tegelijkertijd werd een basisschool in Bovensmilde bezet, met meer dan 100 kinderen als gijzelaars. De marine beëindigde de kaping met geweld. Zes kapers en 2 gijzelaars kwamen om het leven. De schok was enorm.
Burgemeester Van Thijn reikt een Herdenkingspenning komst Ambonezen naar Nederland uit. Deze penning werd uitgereikt aan de ontvangers van de zogenoemde Rietkerkuitkering. Dit was een jaarlijkse betaling van 2000 gulden (tegenwoordig € 700,-) aan de naar Nederland gebrachte Molukkers. Het was een verzoeningsgebaar van de Nederlandse regering. Op de penning staan in het Ambonees Maleis ofwel het Moluks de woorden: 'Penghargaan atas pengorbanan'. Ook de Nederlandse vertaling staat op de penning: 'Uit waardering voor uw inzet'. De penning en uitkering werden in 1986 ingesteld.Kerken en organisaties werden in Amsterdam cruciale plekken voor Molukse gemeenschap en identiteit. Een belangrijk voorbeeld is de Molukse Evangelische Kerk (Geredja Indjili Maluku) Gunung Batu. Kinderen zaten er op houten banken, ouderen vertelden over hun aankomst in Nederland, en families zongen hymnes die ze van hun grootouders hadden geleerd. Buiten de kerk zag de stad eruit als altijd, maar binnen deze muren leefde de Molukse geschiedenis. De kerk was een plek waar kinderen werden opgevoed en waar tradities werden doorgegeven.
De Molukse aanwezigheid in Amsterdam zat vaak in kleine dingen. In keukens waar de geur van trassi tot discussies met buren leidde, maar waar vriendschappen net zo snel ontstonden. In huizen waar kinderen met Nederlandse vriendjes opgroeiden en de stad vanzelfsprekend hun thuis werd. Niet in een zichtbare wijk zoals elders in het land (de zogenoemde Molukkenwijken), maar als een gemeenschap verspreid, aanwezig in levensverhalen in plaats van in straatnamen.
De eerste generatie is inmiddels grotendeels verdwenen. De woonoorden zijn gesloopt of omgebouwd. De schepen die in 1951 aanmeerden uit de vaart. Maar de Molukkers zijn er nog. Al 75 jaar onderdeel van de smeltkroes van de stad.
De band tussen Molukkers en Nederland is meer dan 75 jaar oud. De Molukken waren namelijk een van de eerste Indonesische eilanden die Nederland koloniseerde. Dat gebeurde met geweld.
Zo werd de plaatselijke bevolking van het eiland Banda door de VOC onder leiding van Jan Pieterszoon Coen in 1621 voor een groot deel uitgemoord en verdreven om het monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie in handen te krijgen. De productie hiervan was Coen en de VOC meer waard dan mensenlevens.
Na het opheffen van de VOC kwamen de bezette gebieden in handen van de Nederlandse staat. Zo ontstond de kolonie Nederlands-Indië.
Beeld: Stadsarchief Amsterdam